BelastingenAdviserenOpleiden

Een verzoek tot het opsturen van stukken hoeft niet te worden gezien als een verzoek om gehoord te worden

Jurisprudentie01 februari 2022Gerechtshof Amsterdam: Anders dan de gemachtigde stelt hoeft een verzoek om de stukken op te sturen niet gezien te worden als een verzoek om gehoord te worden. Het Hof heeft aangegeven dat de stukken ook niet opgestuurd hoeven te worden. Er geldt een passief inzagerecht, dat wil zeggen dat de stukken enkel ter inzage gelegd hoeven te worden.

De gemachtigde van X heeft beroep en hoger beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag. De gemachtigde stelt in zijn hoger beroepschrift dat de heffingsambtenaar hem ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase. Tijdens de zitting brengt de gemachtigde naar voren dat hij heeft verzocht dat alle relevante stukken aan hem worden toegezonden. Volgens de gemachtigde had de heffingsambtenaar dit moeten aanmerken als een verzoek om gehoord te willen worden. Verder brengt hij naar voren dat op grond van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht het initiatief om te horen bij de heffingsambtenaar ligt. Daarmee bedoelt hij dat in afwijking van artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waarin is geregeld dat er alleen wordt gehoord als daarom wordt verzocht, de heffingsambtenaar actief contact moet zoeken met de gemachtigde om een hoorzitting te plannen.

In de beroepsfase hebben wij de gemeente vertegenwoordigd bij zowel de rechtbank als het Hof. De belangrijkste vraag die op de zitting door het Hof moest worden beantwoord was: had de heffingsambtenaar de gemachtigde moeten horen? De bijkomende vraag was of alle op de zaak betrekking hebbende stukken naar de gemachtigde opgestuurd hadden moeten worden.

In zijn bezwaarschrift heeft de gemachtigde geen verzoek gedaan om te worden gehoord. De gemachtigde heeft wel een verzoek ingediend om alle op de zaak betrekking hebbende stukken opgestuurd te krijgen. In de Gemeentewet is op de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen ook de AWR van toepassing verklaard. Daarmee is ook artikel 25 van deze wet van toepassing op de procedure voor bezwaarafhandeling van bezwaarschriften tegen de gemeentelijke belastingen. In dit artikel staat geregeld dat, in afwijking van de Awb, alleen gehoord hoeft te worden als hierom wordt verzocht.

De gemachtigde beroept zich op onderdeel 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Hierin is geregeld dat in afwijking van artikel 25 het initiatief om te horen bij de inspecteur ligt. Tijdens de zitting is namens de gemeente gesteld dat het Besluit Fiscaal Bestuursrecht een beleidsregel voor de Rijksbelastingdienst is en dat deze niet door de gemeente van toepassing is verklaard. Het Hof bevestigt deze lezing en stelt eveneens dat het voornoemde besluit inderdaad alleen van toepassing is op de Rijksbelastingdienst.

Op grond van de Algemene wet Bestuursrecht (artikel 7:4) is een bestuursorgaan verplicht om het bezwaarschrift en verder alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan een hoorzitting ter inzage te leggen. Uit dit artikel volgt aldus het Hof niet dat het bestuursorgaan verplicht is om in de bezwaarfase alle stukken van het geding aan de gemachtigde toe te sturen. Er geldt slechts een (passief) inzagerecht. Dit wil zeggen dat de stukken enkel ter inzage gelegd hoeven te worden. Er bestaat geen verplichting om de stukken naar de gemachtigde toe te sturen.

Dat de gemachtigde stelt dat op grond van een verzoek om het toezenden van stukken had moeten blijken dat hij gehoord wilde worden, berust volgens het Hof op een onjuiste lezing van dit artikel.

Conclusie

Doordat de gemachtigde niet gevraagd heeft om een hoorzitting is de heffingsambtenaar terecht overgegaan tot het doen van een uitspraak. Dat er verzocht is om stukken toe te sturen aan de gemachtigde, hoeft niet te worden opgevat als een verzoek om gehoord te worden. De heffingsambtenaar is in de bezwaarfase niet verplicht om de relevante stukken aan een gemachtigde op te sturen. Er geldt slechts een passief inzage recht voorafgaand aan een hoorzitting.

Voor de gehele uitspraak zie: ECLI:NL:GHAMS:2021:4081

Op het gebied van de WOZ-waardering spelen ook rechtsvragen over het toezenden van stukken in de bezwaarfase. Hier zullen wij in een volgend artikel nader op ingaan.

Jur van der Tuuk

Jur is adviseur bij Involon. Hij heeft zich gespecialiseerd in de gemeentelijke heffingen, waaronder de BIZ, de reclamebelasting en de precariobelasting. Verder ligt zijn expertise op het gebied van de afhandeling van heffingsbezwaren en vertegenwoordigt hij gemeenten in rechte. Ook behandelt hij verzoeken voor kwijtschelding afkomstig van ondernemers. Jur is docent op het onderdeel rechtsbescherming.

024 64 85 900024 64 85 900

Heeft dit artikel uw interesse gewekt en wilt u meer informatie of advies van een van onze medewerkers?

Neem direct contact op

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.