U bevindt zich hier: Home » Nieuws » Gemeenten boeken minder af wegens oninbaar dan de belastingdienst

Gemeenten boeken minder af wegens oninbaar dan de belastingdienst


Eind januari van dit jaar zijn Kamervragen gesteld ten aanzien van het invorderingsbeleid van de Belastingdienst. Uit de beantwoording van deze vragen blijkt bijvoorbeeld dat de Belastingdienst 3% van de opgelegde aanslagen inkomstenbelasting wegens oninbaarheid afboekt. Uit het Benchmarkrapport van het Belastingoverleg Grote Gemeenten blijkt dat gemeenten erin slagen om een lager percentage te realiseren van gemiddeld zo’n 0,6%.

Naar aanleiding van de Kamervragen van het lid Remkes (25 januari 2010) ten aanzien van het invorderingsbeleid van de Belastingdienst is door de (toenmalig) staatssecretaris van Financiën op 22 februari 2010 antwoord gegeven.

Uit het antwoord van de staatssecretaris van Financiën over de oninbaarpercentages blijkt dat op aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gemiddeld 3% wordt afgeboekt wegens oninbaarheid, voor de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting is het oninbaar percentage 1%, voor de loonbelasting/sociale verzekeringspremies 0,4% terwijl op de terugvorderingen ter zake van de toeslagen 3% moet worden afgeboekt.

In het Benchmarkrapport 2008 van Belastingoverleg Grote Gemeenten valt op dat het percentage oninbaar bij deze gemeenten gemiddeld op 0,6% uitkomt. Terwijl gemeenten over een kleiner instrumentarium op het gebied van de (dwang)invordering beschikken dan de Belastingdienst. Het Benchmarkrapport BOGG 2008 kunt u raadplegen via deze link.

Hierna zijn de Kamervragen en Antwoorden opgenomen.

Kamervragen (25 januari 2010)

1
Zijn de berichten die de VVD-fractie heeft ontvangen waar dat het invorderingsbeleid van de Belastingdienst per 1 januari jl. is herzien en dat als gevolg hiervan aanslagbedragen kleiner dan € 1500 standaard als oninbaar worden verklaard en dat voor bedragen kleiner dan € 1000 geen beslagopdrachten aan deurwaarders meer worden gegeven?

2
Zo ja, wat is het invorderingsbeleid in bredere zin en op welke gronden is het beleid gewijzigd? Wat was de invorderingspraktijk tot 1 januari 2010?

3
Welk totaalbedrag op jaarbasis loopt de Belastingdienst aan inkomsten mis als gevolg van dit gewijzigde beleid?

4
Deelt u de opvatting dat dit gewijzigde beleid totaal niet is uit te leggen aan mensen die ieder jaar keurig aan hun fiscale verplichtingen voldoen en dat dit de belastingmoraal ondergraaft?

5
Bent u bereid het invorderingsbeleid aan te passen?

Antwoord vragen 1 tot en met 5 (22 februari 2010, DGB/2010/680 U)

De berichten waarvan in vraag 1 gewag wordt gemaakt, kloppen niet met de werkelijkheid. Rechtsgelijkheid vormt een belangrijk uitgangspunt binnen het gevoerde invorderingsbeleid. Indien betaling achterwege blijft, volgen in alle gevallen dwangmaatregelen.

Om de effectiviteit van het beleid te optimaliseren is het, mede uit het oogpunt van de nagestreefde eenheid van beleid en uitvoering, nodig Belastingdienstbrede keuzes te maken met betrekking tot de te gebruiken invorderingsinstrumenten. Aanleiding tot het maken van keuzes is onder meer de toename van het aantal invorderingsposten dat slechts door middel van het uitoefenen van dwang blijkt te kunnen worden geïnd. Deze toename houdt verband met de uitbreiding van het pakket van de Belastingdienst enkele jaren geleden (met name terugvorderingen ter zake van toeslagen voor de betaling waarvan geen gebruik wordt gemaakt van de standaard aangeboden betalingsregeling) alsmede met de gevolgen van de economische crisis. Daarnaast is in 2010 capaciteit gemoeid met de invoering van een nieuw automatiseringssysteem (ETM); dit systeem ondersteunt op betere wijze de administratie en het inningsproces (w.o. de dwanginvordering) van belasting- en toeslagvorderingen.

De bedoelde keuzes kunnen als volgt worden samengevat. Gerichte inzet van de beschikbare deurwaarderscapaciteit ten behoeve van de invordering van zwaardere posten; optimalisering van de verhaalsinvordering ten laste van particulieren door gebruikmaking van vereenvoudigde beslagvormen (loonvordering, overheidsvordering); prioritering van invorderingsaandacht ten behoeve van belastingschuldigen die min of meer structureel in gebreke blijven en vereenvoudiging van administratieve procedures ter zake van eenvoudige verzoeken om uitstel van betaling.

Van belang bij dit alles is dat in het geval de voor een bepaalde situatie geselecteerde invorderingsinstrumenten niet leiden tot het gewenste resultaat, betrokkene niet wordt ontslagen van de betalingsverplichting. Het recht van invordering verjaart eerst na vijf jaar. Gedurende die tijd kan, afgezien van de mogelijkheid de dwanginvorderingsprocedure na verloop van kortere of langere tijd te heropenen, verrekening met teruggaven plaatsvinden en worden onbetaalde aanslagen betrokken in regionale en landelijke handhavingsacties van de Belastingdienst. Er is naar mijn mening dan ook geen sprake van dat de rechtsgelijkheid die wordt nagestreefd bij de nakoming van betalingsverplichtingen door de gekozen aanpak in het gedrang zou komen.

De invorderingsresultaten voor de belangrijkste belastingmiddelen luiden als volgt: op het middel inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen moet gemiddeld 3% worden afgeboekt wegens oninbaarheid, voor de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting is het oninbaarheidspercentage 1, voor de loonbelasting/sociale verzekeringspremies 0,4 terwijl op de terugvorderingen ter zake van de toeslagen 3% moet worden afgeboekt. Het gericht inzetten van dwanginvorderingsinstrumenten is er juist op gericht de effectiviteit van het invorderingsbeleid te optimaliseren; de vermelde percentages zullen daardoor dan ook niet in negatieve zin worden beïnvloed. 
 

Stuur deze pagina door naar een vriend(in)

De volgende velden zijn onjuist:

  •