U bevindt zich hier: Home » Nieuws » Proceskostenvergoeding bij no cure no pay (Hoge Raad)
Ook proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand op basis van ‘no cure no pay’
(art. 8:75 Awb; art. 1 onderdaal a Besluit Proceskosten Bestuursrecht; art. 17 Wet WOZ)
X is eigenaar en gebruiker van een hoekwoning in aanbouw in de gemeente Alphen aan den Rijn. De WOZ-waarde 2009 is door de gemeente vastgesteld op € 400.000. X vindt dat zijn woning op de peildatum 1 januari 2008 hooguit € 358.000 waard was en onderbouwt dit met een taxatierapport. Hof ’s-Gravenhage oordeelt dat het taxatierapport van X prevaleert boven dat van de gemeente en vermindert de WOZ-waarde tot € 358.000. Tegen deze beslissing stelt het college van B&W van de gemeente beroep in cassatie in. De Hoge Raad verklaart het door de gemeente ingestelde cassatieberoep met toepassing van art.81 Wet RO ongegrond. De Hoge Raad veroordeelt het college van B&W in de proceskosten van X. Dat X rechtsbijstand heeft ingeschakeld op basis van ‘no cure no pay’, staat aan een proceskostenvergoeding niet in de weg. De vergoeding bedraagt voor de cassatieprocedure € 874.
HR, 7 oktober 2011, nr 10/05199 (Van den Berge, Heisterkamp, Koopman)
Het geschil betreft de WOZ-beschikking 2009 met als waardepeildatum 1 januari 2008.
De uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld, is van Hof ’s-Gravenhage, MK III, 27 oktober 2010, nr BK-10/00037, V-N 2011/4.2.4.
De uitspraak waartegen beroep is ingesteld, is van Rechtbank ’s-Gravenhage 16 december 2009, nr.09/3189.
Arrest
Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarbij verdient opmerking dat – zoals het Hof terecht heeft overwogen – aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van “no cure no pay”. (Volgt ongegrondverklaring van het cassatieberoep en veroordeling van het college van B&W in de proceskosten in cassatie van belanghebbende).
Aantekening VakstudieNieuws
No cure no pay
De bestuursrechter kan een partij veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Slechts redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking. Hier geldt blijkens de wetsgeschiedenis van art. 8:75 Awb een dubbele redelijkheidstoets: niet alleen de kosten zelf moeten redelijk zijn, maar ook het maken van kosten als zodanig. Volgens vaste rechtspraak van alle hoogste bestuursrechters geldt als hoofdregel dat de bestuursrechter, als een beroep gegrond is, het bestuursorgaan in de proceskosten van de wederpartij moet veroordelen (HR 20 december 1995, BNB 1996/74). Maakt de rechter een uitzondering op deze hoofdregel, dan moet hij dat motiveren. Een uitzondering doet zich bijvoorbeeld voor als de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voorvloeit uit de handelwijze van de belanghebbende zelf (o.a. HR 9 augustus 2002, BNB 2002/346).
Het Besluit proceskosten bestuursrecht (het besluit) kent een limitatief stelsel van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De eerste kostensoort die het besluit noemt, is de categorie waar het ook in deze zaak om gaat, namelijk ‘kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’. Er gelden twee vereisten:
1. er moet sprake zijn van kosten, en
2. die kosten moeten zijn gemaakt in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
In de nota van toelichting bij het besluit is uitgebreid toegelicht wat onder ‘beroepsmatig verleende rechtsbijstand’ wordt verstaan. Over de wijze van betaling wordt met geen woord gerept. Er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat betaling van kosten die zijn overeengekomen op basis van een ‘no cure no pay’-afspraak niet voor vergoeding in aanmerking komen. Waar het op aan komt, is dat er kosten zijn die moeten worden betaald. Hof ’s-Gravenhage overweegt zonder nadere motivering: ‘In het feit dat beroepsmatig rechtsbijstand is verleend op basis van no cure no pay ziet het Hof geen aanleiding belanghebbende een proceskostenvergoeding te weigeren.’De Hoge Raad volgt het hof met een zelfde kort oordeel. Gezien de tekst van het besluit en de nota van toelichting op dat besluit, zijn wij het volledig eens met deze beslissing.
De gemeente op de blaren
Misschien overbodig, maar dan toch. Het geschil tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar (in cassatie: het college van B&W) draait om een kennelijk onoplosbaar geschil over een WOZ-waarde van € 42.000. Globaal gezegd: ongeveer 10% van de waarde van de woning. Het geschil is niet van principiële aard. Het fiscaal belang van de kwestie voor de gemeente en de andere afnemers van de WOZ-waarde is, schatten wij, hooguit € 100. De Hoge Raad doet zaak af met toepassing van art. 81 Wet RO. De gemeente moet – door ons geschat – voor de gevoerde procedures bij Rechtbank ’s-Gravenhage, Hof ’s-Gravenhage en de Hoge Raad in totaal € 3.739 betalen aan kosten rechtsbijstand, kosten taxatierapport en griffierechten in drie instanties. Daarbij komen nog de salariskosten van de ambtenaren die aan de procedure hebben gewerkt en de kosten van de door de gemeente zelf ingeschakelde deskundige. Een voorbeeld van “penny wise and pound foolish”, zeker gelet op het feit dat het hof van taxatierapport van belanghebbende kwalitatief van hoger niveau achtte.
Modernisering Wet WOZ
Actuele kostenonderbouwing van de leges?
Servicepagina actualiteiten invordering en kwijtschelding
Meer beleidsvrijheid voor kwijtschelding
Benchmark belastingen voor elke gemeente
Saltshof 1020
6604 EA Wijchen
www.involon.nl
Telefoon 024 64 85 900
Fax 024 64 85 907
E-mail info@involon.nl